Colloquium peiling Frans in het basisonderwijsToespraak van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs
en Vorming
Dames en heren, Vandaag en ook vorige week maken we de resultaten bekend van de twee peilingen die we eind vorig schooljaar afnamen. Vandaag krijgen we een antwoord op de vraag: hoe goed presteren onze leerlingen op het einde van het basisonderwijs voor Frans; vorige week kwamen we te weten hoe de leerlingen van het beroepsvoorbereidend leerjaar het doen voor wiskunde. Deze peilingen, en de resultaten ervan, voorleggen en bespreken, hebben een belangrijke rol in het beleid. [2de proef van de tienkamp: resultaten vragen en zichtbaar maken] Ik lanceerde reeds eerder de idee van een tienkamp: een krachtig onderwijsbeleid veronderstelt immers dat we slagen voor verschillende proeven in verschillende disciplines tegelijk. Het is maar door het samengaan van goede resultaten op de verschillende proeven, dat we ons tot de echte tienkampers mogen rekenen. Een van de terreinen waarop ik inzet heeft te maken met mijn tweede proef: “vraag resultaten”. Ik wil scholen stimuleren om de lat hoog te houden en ik wil resultaten zichtbaar maken. Dat wil niet louter zeggen dat ik alleen maar naar eindresultaten wil kijken, zonder rekening te houden met de modaliteiten waarbinnen die resultaten tot stand komen. Het betekent wel dat ik het werken aan kwaliteitsverbetering ook wil voeden met goede informatie over resultaten. En dit principe geldt zowel op het niveau van een individuele school of de scholengemeenschap als op het niveau van het Vlaamse onderwijssysteem. Wie zichzelf doelen stelt, moet ook regelmatig in de spiegel durven kijken om te zien of die doelen ook gerealiseerd worden. [Interne kwaliteitszorg in sterke onderwijsinstellingen] In het nieuwe kwaliteitsdecreet tekenen we de lijnen hiervoor verder uit. De externe kwaliteitszorg blijft de rol van de onderwijsinspectie maar de interne kwaliteitszorg is meer dan ooit de taak van de onderwijsinstelling zelf. Ik laat scholen vrij in de manier waarop ze dit aanpakken maar ik zal hen wel stimuleren wanneer het moet en ondersteunen wanneer het kan. Voor ondersteuning kunnen scholen en centra rekenen op de pedago-gische begeleidingsdiensten en op de aanbieders van nascholing. Zij garanderen een goede mix van eigen aanbod en ondersteuning op vragen. De overheid reikt daarnaast ook zelf gegevens en instrumenten aan waarmee scholen aan de slag kunnen om hun kwaliteit te behouden of te verbeteren. De resultaten die hier vandaag gepresenteerd worden zijn daar een voorbeeld van. De resultaten op de peilingen geven de overheid feedback over het bereiken van de doelen die voor bepaalde leerlingengroepen worden vooropgesteld. Ligt de lat te hoog of te laag? Kunnen we als overheid initiatieven nemen om de resultaten te verbeteren? Dat zijn vragen die we ons als overheid moeten stellen. Maar de resultaten op de peilingen zijn ook voor scholen belangrijke referentiegegevens. Herkennen we onze school en onze leerlingen in de resultaten? Wie het ‘geluk’ had deel uit te maken van de steekproef van scholen voor de peiling, die krijgt vandaag niet alleen de resultaten op Vlaams niveau, maar ook de resultaten voor de eigen school, vergeleken met dat Vlaamse gemiddelde. Ik kan me voorstellen dat in deze scholen het gesprek kan beginnen in lerarenkamers, in werkgroepen of op personeelsvergaderingen. Zijn we goed bezig? Komen deze resultaten overeen met onze eigen toetsresultaten? Wat kan beter? [Toetsen voor scholen] Om echter iedereen de kans te bieden om dit soort analyses te voeden met betrouwbare gegevens, zullen we paralleltoetsen van de peilingen ter beschikking stellen van alle scholen. We werken momenteel aan een gebruiksvriendelijk systeem waarbij scholen de instrumenten kunnen downloaden van een beveiligde website en nadien een feedbackrapport kunnen aanvragen. We bieden dit aan als een service aan de scholen, gratis en vrijblijvend. Ongetwijfeld gaat het hier over een systeem dat zal moeten groeien, maar gezien de meerjarenkalender van de peilingen zullen we jaarlijks twee nieuwe paralleltoetsen aan het systeem kunnen toevoegen, telkens voor een ander onderwerp en een andere leeftijdsgroep. Een ding is voor mij echter alvast duidelijk. Scholen kunnen ondersteu-ning gebruiken bij het interpreteren en werken met de feedbackrapporten die ze ontvangen. Wanneer scholen deze vraag hebben, is ook hier een belangrijke taak weggelegd voor de pedagogische begeleiding. We over-leggen daarom verder met koepels en pedagogische begeleidingsdien-sten want we vinden het belangrijk dat zij deze evolutie ondersteunen. [Peilingenkalender] Aandacht voor taal is één van mijn beleidsprioriteiten. De peilingen die in 2007 werden afgenomen, stonden helemaal in het teken van talen (Nederlands basisonderwijs en Frans in de A-stroom van de eerste graad). Ook in 2008 werd een peiling over Frans in het basisonderwijs afgenomen. Die resultaten maken we vandaag bekend. Het is echter belangrijk dat we in onze peilingenkalender een voldoende brede variatie inbouwen. Daarom vormt de peiling die vorige week aan de orde was, met name de peiling wiskunde in de B-stroom, de start van een reeks wiskundepeilingen. Eind mei van dit schooljaar wordt zowel in het basisonderwijs als in de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs, de beheersing van de eindtermen wiskunde getoetst. We zullen volgend jaar dus beschikken over de wiskunderesultaten van het basisonderwijs en van de A- en B-stroom van de eerste graad secundair onderwijs. Voor het basisonderwijs kunnen we bovendien vergelijken met de resultaten van de eerste peiling in 2002. Een boeiende discussie over het wiskundecurriculum tot 14 jaar dient zich dus aan. (inhoudelijke beschouwingen bij de resultaten van de peiling Frans in het basisonderwijs) Maar nu over naar het onderwerp van vandaag: de peiling over de eindtermen Frans in het basisonderwijs. Vlaanderen wil meewerken aan een meertalig Europa en aan de inter-culturele ontwikkeling van kinderen. We hebben er in Vlaanderen voor gekozen om Frans als eerste vreemde taal aan te bieden. Deze keuze voor de tweede landstaal, tevens de taal van één van onze belangrijkste handelspartners, is een logische keuze in België, want tweetaligheid opent vele deuren. Sinds april 2004 bepaalt het decreet basisonderwijs dat in Vlaanderen Frans verplicht is in het 5e en het 6e leerjaar. In Brussel en de taalgrens-gemeenten geldt dit vanaf het 3e leerjaar. Scholen kunnen reeds bij de kleuters starten met talensensibilisering en taalinitiatie Frans. Talensen-sibilisering vertrekt van de talen van de klas en van de schoolomgeving. Zij opent de harten en de geesten van kinderen voor diversiteit en wekt hun interesse voor taalleren. Ook taalinitiatie, een meer gestructureerde voorbereiding op Frans, maar nog geen formeel taalonderwijs, maakt kinderen op een speelse manier bewust van verbanden en verschillen tussen talen. Zo werken we van in het prille begin aan een positieve houding tegenover talen leren. ‘Vroeg beginnen’ met vreemdetalenonderwijs is een vaak gehoord adagium. Uit onderzoek blijkt immers dat jonge kinderen enthousiaste en spontane taalleerders zijn. We hebben allemaal op dezelfde, natuurlijke manier onze moedertaal verworven, door onafgebroken onderdompeling. Het formele leren van een taal vergt echter een bewuste en volgehouden cognitieve inspanning. Daarmee beginnen wij in Vlaanderen pas in het vijfde leerjaar. In Franstalig België is veel vraag naar immersie-onderwijs, een quasi-gehele onderdompeling in de doeltaal. Vooral in Waals-Brabant en de regio’s onder de taalgrens bieden een 150-aantal scholen deze vorm van vroegevreemdetaalverwerving aan. In Vlaanderen kiezen we daar niet voor. Wij opteren ervoor om te investeren in het leren van het Nederlands. Rond de beheersing van de onderwijstaal Nederlands, voor wie Nederlands niet als thuistaal heeft, is er in Vlaanderen nog een lange weg te gaan. Schoolse achterstand ontstaat soms al heel vroeg, in de kleuterklas en de eerste jaren van het lager onderwijs, en dat is vaak te wijten aan een onvoldoende beheersing van de onderwijstaal. Diverse onderzoeken bevestigen dat het beheersen van de onderwijs- of instructietaal een cruciale factor is voor schoolsucces. - Resultaten Bij de resultaten voor de peilingtoets Frans kunnen we een onderscheid maken tussen de resultaten voor de receptieve vaardigheden lezen en luisteren en voor de productieve vaardigheid spreken. Ook schrijven is een productieve vaardigheid. De getoetste eindterm over schrijven gaat echter niet verder dan het kopiërend verwerkingsniveau en kan dus bezwaarlijk beschouwd worden als een echte productieve vaardigheid. De resultaten voor de receptieve vaardigheden zijn uitstekend. De meeste leerlingen bereiken de eindtermen voor lezen en luisteren. De goede peilingresultaten voor lezen en luisteren liggen bovendien in de lijn van wat de leerkrachten hadden verwacht. Ook de eindterm over het correct kopiëren van veel voorkomende Franse woorden en taalstructuren is voor de overgrote meerderheid van de leerlingen geen probleem. Ook hier voorspelden de leerkrachten dat de meeste van hun leerlingen deze eindterm beheersen. Vraag is wel of de realisatie van zulke eindterm niet evenveel zegt over accuraatheid van leerlingen als over hun taalbeheersing voor Frans. Spreken werd exemplarisch getoetst met enkele praktische proeven bij een deelsteekproef van leerlingen. Daardoor is het moeilijk om algemene uitspraken te doen. Toch zijn er aanwijzingen dat de leerlingen de eindtermen voor deze productieve vaardigheid minder goed beheersen dan de eindtermen voor de receptieve vaardigheden. Dit is echter geen onverwacht resultaat. De leerkrachten geven aan dat minder leerlingen de eindtermen voor spreken beheersen dan de eindtermen voor lezen, luisteren en kopiëren. Ook de leerlingen hebben het gevoel dat ze het minst vaardig zijn in spreken. Nu we beschikken over de resultaten van de peiling Frans in het basis-onderwijs én in de A-stroom van de eerste graad secundair onderwijs, is het het uitgelezen ogenblik om de resultaten van beide peilingen naast elkaar te leggen. Hoewel de leerlingen van de eerste graad een stuk zwakker scoorden stellen we een aantal opvallende gelijkenissen vast. Sommigen onder u zullen zich misschien nog persberichten herinneren over het zwakke resultaat voor luisteren in de eerste graad. Luisteren is moeilijker dan lezen. Logisch, want het vluchtige karakter van de boodschap maakt dat, naast het tekstbegrip, ook een beroep gedaan wordt op geheugen en concentratievermogen. Dit geldt natuurlijk minder voor de korte luister-teksten die de leerlingen van het basisonderwijs kregen. Dit kan dus één van de mogelijke verklaringen zijn voor de betere resultaten voor luisteren in het basisonderwijs. Voor lezen zijn de scores in beide peilingen goed. Leerlingen geven ook aan dat ze dat het beste kunnen. En dit spoort dan weer met het feit dat hun leerkrachten aangeven veel tijd te besteden aan leesvaardigheid. - Frans is niet leuk Beide peilingen geven aan dat leerlingen die Frans leuk vinden het doorgaans ook beter doen op de peilingtoetsen. Eén van de resultaten die vorig jaar de krantenkoppen haalde, was de vaststelling dat 14-jarigen Frans wel belangrijk vinden (85%), maar niet leuk (43%). Ondanks het feit dat Frans leren voor de kinderen iets nieuw is en vaak nog op een vrij speelse manier gebeurt, gaapt hier al een kloof tussen de positieve attitude tegenover Frans leren (90% vindt het belangrijk), en de appreciatie van het leergebied Frans (slechts 60% doet het graag). Op de conferentie na de peiling Frans in de 1e graad werd het werken aan de motivatie van de leerlingen door de deelnemers gezien als een belangrijke hefboom voor verbetering. - Vertrouwdheid met de doeltaal Je kan niet houden van wat je niet kent. Daarom wijzen experten Frans erop dat het belangrijk is om taalleerders in contact te brengen met de doeltaal en haar sprekers. We stellen in de peilingen vast dat vertrouwd-heid met het Frans een positieve invloed heeft op de resultaten. Uiteraard geldt dit ook voor de leraren: wanneer leerkrachten zelf vaak Frans spreken in de les, zijn er betere resultaten van de leerlingen. Verder gaan op de ingeslagen weg met contacten en uitwisselingen met scholen van de Franstalige gemeenschap is dus zeker een goed idee. - Verschillen tussen scholen Scholen kunnen het verschil maken. Dat stelden wij vorig jaar vast, en dit jaar opnieuw. Die verschillen tussen scholen wijzen op verschillen in doelmatigheid tussen scholen. Ook in het basisonderwijs doen een aantal scholen het minder goed dan het algemene schoolgemiddelde en een aantal scholen slagen er in om in positieve zin het verschil te maken voor lezen en luisteren. - Spreken De resultaten voor spreken kunnen we niet naast die van de eerste graad leggen. Deze vaardigheid werd niet getoetst bij de 14-jarigen. Aangezien het hier gaat om de communicatieve vaardigheid bij uitstek, ben ik blij dat we hierover vandaag informatie krijgen op basis van de praktische proeven. Maar Frans spreken is in het basisonderwijs geen succesverhaal. We moeten een onderscheid maken tussen spreekvaar-digheid (dit wil zeggen iets beschrijven of iets vertellen in het Frans) en gespreksvaardigheid (in interactie met iemand anders Frans spreken). Ondanks het feit dat de toetsontwikkelaars met grote zorg opgaven hebben uitgekozen die afgestemd zijn op het niveau van de leerlingen hebben veel leerlingen moeite om de spreekproeven tot een goed einde te brengen. Dat blijkt zowel bij de opdrachten om in zinnen informatie te geven bij tekeningen, als bij het voeren van korte gesprekjes. We kunnen ons afvragen of deze spreek- en gespreksvaardigheid wel voldoende aan bod komt in de klaspraktijk. Hoe belangrijk en haalbaar leraren lager onderwijs dit ‘spreken’ vinden, werd bevraagd in het kader van een OBPWO-onderzoek. Wanneer hen gevraagd werd de 12 eindtermen voor Frans te ordenen naar belangrijkheid en haalbaarheid dan valt het op dat de gespreksvaardigheid van de kinderen slechts op de 9de plaats staat voor belangrijkheid en op de 12de plaats voor haal-baarheid. Anders gezegd: leraren vinden de gespreksvaardigheid - vergeleken met de andere vaardigheden - niet belangrijk en zeker niet haalbaar. Dit is verontrustend, gezien spreken de communicatieve vaardigheid bij uitstek is. Ik ben dan ook blij dat er bij de actualisering van de eindtermen echt werk is gemaakt van een versterking van deze communicatieve benade-ring. Dit brengt mij tot enige toelichting bij de nieuwe eindtermen voor moderne vreemde talen, waaronder dus het Frans in het basisonderwijs. - Nieuwe eindtermen De resultaten voor de receptieve vaardigheden lezen en luisteren zijn uitstekend. Ze sterken mij in mijn overtuiging dat we er goed aan gedaan hebben om de lat hoger te leggen in de geactualiseerde eindtermen van het basisonderwijs. We hebben niet gewacht op de resultaten van de peiling Frans in het basisonderwijs om de herziening van de eindtermen moderne vreemde talen te lanceren. We hadden die herziening al aangekondigd in mijn talenbeleidsnota. De geactualiseerde eindtermen moderne vreemde talen liggen ter goedkeuring in het Vlaams parlement. Ze gaan in voege in september 2010. De experten in de ontwikkelcommissies hebben veel aandacht besteed aan het communicatieve taalgebruik om de ongedwongenheid van de jonge taalleerders zo veel mogelijk te stimuleren. De concretisering van de ondersteunende kennis, zeg maar woordenschat en grammatica, zorgt voor een beter evenwicht tussen kennis en vaardigheden. Eénzelfde transparante ordening werd gehanteerd voor alle niveaus en onderwijsvormen en de eindtermen werden ingeschaald op de niveaus van het Europees Referentiekader. De overgang van het lager naar het secundair onderwijs was een bijzonder aandachtspunt. Eénzelfde commissie heeft de eindtermen voor het basisonderwijs en de eerste graad secundair herzien en beide eindtermenpakketten worden op hetzelfde moment van kracht. Ik kies bewust niet voor een jarenlange overgangsfase. Afstemming tussen beide onderwijsniveaus is cruciaal voor een succesvolle start in het secundair onderwijs. De geactualiseerde eindtermen voorzien meer taaltaken om de leerlin-gen van het basisonderwijs voor meer gevarieerde uitdagingen te plaatsen. Strategieën werden toegevoegd in het basisonderwijs omdat ze een ondersteunende functie hebben waaraan vooral taalzwakkere leerlingen behoefte hebben. Schrijven is niet langer beperkt tot zuiver kopiëren, een vaardigheid die in het OBPWO-onderzoek als te beperkt en niet specifiek voor het leergebied Frans wordt bestempeld. Naast spreken is een vijfde vaardigheid ‘mondelinge interactie’ toegevoegd. Want communicatie moet bovenaan prijken in de rangorde van belangrijkheid, en niet pas op de 9e plaats. De onderwijskoepels hebben de onderlinge afspraak gemaakt om een basiswoordenlijst te ontwikkelen die als servicedocument ter beschikking zal gesteld worden. Ook dit zal de vlotte overgang tussen basis- en secundair onderwijs ten goede komen. Eenmaal de nieuwe eindtermen definitief goedgekeurd zullen zijn, kan de communicatie erover voluit gaan. We briefden de educatieve uitgeverijen reeds over de nieuwe ontwikkelingen. Zo kunnen ze al aan de slag met de geactualiseerde eindtermen. - Professionalisering leerkrachten Ik wil stilaan afronden met een woord van dank voor de leraren van het basisonderwijs. Want zij zijn degenen die aan de basis liggen van deze resultaten. Zij leggen mee de fundamenten. Zij begeleiden kinderen bij hun eerste stappen in het vreemdetaalleren. Wij vragen heel veel van onze leraren. Met de invoering van de basis-competenties van de leraar heb ik willen aangeven dat de lat over de hele lijn hoog moet liggen voor al wie les wil geven in het basisonderwijs. We moeten daar met zijn allen werk van maken. Het is de klasleraar die Frans geeft in het basisonderwijs: een bewuste keuze. De resultaten van deze peiling geven aan dat het ook de juiste keuze is. We hebben ervoor gekozen werk te maken van de professiona-lisering van de leraren. Daarom heb ik de basiscompetenties voor de lerarenopleiding herzien en daarbij sterk de nadruk gelegd op talige competenties, zowel voor Nederlands als voor Frans. De vreemdetaal-competentie van de onderwijzers werd gelinkt aan de niveaus van het Europees Referentiekader voor Talen. Hoe sterker de taalvaardigheid van de lesgever is, hoe creatiever en efficiënter hij/zij de doeltaal zal onderwijzen. Daardoor is er in het brede onderwijsveld een groeiende bewustwording van het belang van taal, onder meer ook van Frans bij kandidaat leraren. Lerarenopleiders zoeken naar een evenwicht tussen vakdidactiek en taalcompetenties van de onderwijzers in spe. En voor stages en uitwisselingen tussen Franstalige en Nederlandstalige scholen is men ook aan de andere kant van de taalgrens vragende partij. De afgelopen jaren hebben heel wat leraren kleuter- en lager onderwijs deelgenomen aan één van de prioritaire nascholingen. Wegens de grote vraag hernamen we de nascholingsprojecten ’Frans in de overgang van basis- naar secundair onderwijs’. Daarnaast worden nascholingen rond het thema ‘Talensensibilisering in het kleuter- en basisonderwijs’ aange-boden. Taalbaden in Frankrijk en Wallonië bieden leraren de gelegenheid om, in een Franstalige context, kennis te maken met nieuwe ontwikkelin-gen op taaldidactisch vlak. In veel scholen heeft men ook ontdekt dat uitwisselingen met een school in Wallonië extra impulsen geven aan de motivatie van de leerlingen en tegelijkertijd een taalbad betekenen voor de betrokken leraren. - Talenwebsite Sinds december 2008 is de website www.delathoogvoortalen.be opera-tioneel. Ondertussen hebben zich 1200 personen geregistreerd. Onder hen heel wat leraren lager onderwijs die waardevolle bijdragen hebben geleverd. Door deze uitwisselingen van goedepraktijkvoorbeelden kunnen de lessen Frans boeiender, efficiënter en dynamischer worden. Ook dit kanaal zullen we benutten om te informeren over de nieuwe eindtermen en het debat over de peilingresultaten aan te zwengelen. [Consultatie en conferentie] Wat doen we nu met al de gegevens na vandaag? Het debat is open. Laten we er vandaag mee starten. De resultaten van het peilingonder-zoek zijn straks beschikbaar op een website. Ze zullen ook ruim bekend worden gemaakt via een brochure. De volgende maanden wil ik een ruime consultatie houden. Ik wil een stem geven aan pedagogisch begeleiders, lerarenopleiders, nascholers, ontwerpers van leermiddelen, onderwijsinspecteurs, directeurs, CLB’ers, leerlingen, ouders, academici en vooral ook aan leraren. Ik wil horen of deze resultaten in de lijn liggen van hun bevindingen. Hun meningen, verzuchtingen, kritieken, aanvullende gegevens of voorstellen: dat alles zal op 21 oktober de input vormen voor een conferentie. Daar kan ieder laten horen wat er kan en wat niet kan. Wat haalbaar is en wat niet. Welke hefbomen de kwaliteit van ons onderwijs voor alle leerlingen verder op kunnen krikken. [Uitleiding] Tot slot wil ik iedereen uitdrukkelijk danken die een bijdrage geleverd heeft aan het welslagen van dit onderzoek: de leerlingen en hun ouders, de leerkrachten en directies van de deelnemende scholen, het onderzoeksteam, de toetsassistenten en de onderwijsdeskundigen die in verschillende fasen van het onderzoek meewerkten. Het is nu aan ons om deze schat aan informatie samen te leggen en na te denken over concrete initiatieven om ons onderwijs in het Frans te blijven verbeteren.
|