Uitwisselingsdag proefprojecten 4 oktober 2007
Download hier het verslag van de uitwisselingsdag (pdf, 16 p, 645 kB).
Download hier de presentatie van Drs. Marja Valkestein (ppt, 10 p, 172 kB).
1. Inleiding
2. Streven naar meer levensecht leren in de Brede School (Drs.
Marja Valkestein).
3. Reflectie op de inbreng van Drs. Marja Valkestein
4. Verslag plenaire discussie na inbreng van Drs Marja Valkestein
5. Open Space Techniek: 6 werkgroepen. Weergave van de flappen
Inleiding
Op 4 oktober 2007 vond een uitwisselingsdag plaats voor de proefprojecten
Brede School in Vlaanderen en Brussel. In de voormiddag werden de proefprojecten
getrakteerd op een uiteenzetting van Drs. Marja Valkestein. Zij werkt aan het
Nederlands Jeugd Instituut (NJI) en volgt in Nederland al sinds 1994
bredeschoolprojecten op.
In haar uiteenzetting gaf Drs. Valkestein haar visie op ‘streven naar meer levensecht leren in de Brede School’ en vertelde hoe daar in Nederland gestalte aan wordt gegeven. De deelnemers kregen nadien de ruimte om in hun proefproject te reflecteren op de presentatie en er in een plenair moment verder over te discussiëren.
In de namiddag werd een open space georganiseerd. De deelnemers konden zelf onderwerpen aangeven waarrond men wou overleggen. Er werd uitgewisseld rond 6 thema’s.
Hier vindt u een verslag van de presentatie van Drs. Marja Valkestein, de discussie die erop volgde en een korte neerslag van de 6 werkgroepen in de namiddag.
Streven naar meer levensecht leren in de Brede School (Drs. Marja Valkestein).
Inleiding
In Nederland is er een enorme groei van het aantal Brede Scholen, zowel voor de leeftijdsgroep 0-12 jaar als 12+. Er is geen landelijk beleidskader rond Brede School, de beweging komt er van onderuit. Men stelt zich nu wel de vraag of er toch geen landelijk beleidskader moet komen? Momenteel worden de projecten immers gefinancierd vanuit verschillende kanalen. Dit bemoeilijkt de werking van de projecten.
De bredeschoolwerkingen zijn gegroeid vanuit een voorangsbeleid. Het concept
is echter geschikt voor alle kinderen. Wel wordt er prioriteit gegeven aan bredeschoolontwikkeling in achtergestelde wijken, de zogenaamde ‘krachtwijken’.
Het betreft zowel de ontwikkeling van bredeschoolgebouwen, als de
professionalisering van het bredeschoolpersoneel.
De landelijke overheid gaat zich meer op inzet van personeel richten; de financiering van gebouwen moet bijvoorbeeld van het woningbouwfonds komen. Op vlak van personeelsinzet opteert men voor combinatiefuncties. Dit houdt in dat een leerkracht van een school bijvoorbeeld ook naschools een sportfunctie opneemt.
Op vlak van focus van de bredeschoolwerkingen gaat veel aandacht naar voor-en naschoolse opvang; sport en cultuur.
NJI heeft een onderzoek gedaan naar de professionalisering in Brede Scholen. De voornaamste conclusie is dat de aandacht teveel naar de coördinatie van een Brede School gaat. Zo ontstaat een tendens waarbij men teveel zaken doorschuift naar de coördinatiefunctie. Ook de professionals van de betrokken organisaties moeten geprofessionaliseerd worden, zodat ze de Brede School werkelijk mee dragen en vorm geven.
Streven naar meer levensecht leren
Met de term ‘levensecht leren’ wordt in praktijk hetzelfde bedoeld als we in Vlaanderen ‘brede leer- en leefomgeving’ noemen. De term ‘leren’ slaat op ‘leren’ én ‘ontwikkeling’.
‘Streven’ duidt erop dat het gaat om streven naar meer levensecht leren; het formele leren moet ook gebeuren, je kan niet in alle situaties levensecht gaan werken. Het gaat er wel om dat als kinderen zo levensecht mogelijk kunnen leren, ze daar het meest van leren: de competenties van kinderen worden dan in het echt aangesproken en ze kunnen deze in een samenhang ontwikkelen. Van belang hierbij is de reflectie op wat men deed. Eveneens belangrijks is de eigen inbreng van kinderen en jongeren. De rol van de begeleider is dan er voor te zorgen dat de kinderen en jongeren in die bepaalde situatie kunnen komen. Als begeleider, kan je de kinderen en jongeren uiteraard betrekken bij voorbereiding, uitvoering, evaluatie van een activiteit.

Drie globale doelen
Een voorbeeld van een bredeschoolactiviteit: men wil sociale competentie bevorderen door kinderen samen te laten koken. Vanuit NJI bestudeerde men wat er in zo’n activiteit plaats vindt, waar de activiteiten in essentie op gericht zijn, en kwam men tot volgende indeling.
- De hoogste graad van levensecht leren betreft ‘maatschappelijke participatie’ (In visietekst Steunpunt GOK wordt dit ‘creeëren en deelnemen’ genoemd). Hier gaat het erom iets te doen of produceren waar ook anderen iets aan hebben. De kinderen of jongeren hebben invloed op de samenleving en de samenleving heeft er zelf iets aan. Deze wederkerigheid is zeer belangrijk.
- Levensechte oriëntatie en ontmoeting (In visietekst Steunpunt GOK wordt dit ‘ontmoeten’ genoemd). Wat is er bijvoorbeeld aanwezig aan kunst in de buurt? Welke bedrijven bevinden zich in de buurt? Of men nodigt mensen uit in de klas: ouders met bepaald beroep, bijvoorbeeld.
- Ontwikkeling van specifieke competenties met levensechte elementen (In visietekst Steunpunt GOK wordt dit ‘oefenen’ genoemd). Meestal vindt dit niet op een levensechte plek plaats, maar haalt men er wel levensechte elementen bij. Als men gaat koken, haalt men er bijvoorbeeld een kok bij, maar je gaat niet naar een echt restaurant.
In Brede School in Nederland stelt men vast dat punt 3 -de ontwikkeling van specifieke competenties- het meest voorkomt, want dit is het gemakkelijkst: je kan dit op je eigen lokatie doen. Meestal wordt er ook een sociale competentie als doel ingeschreven: bijvoorbeeld ‘we gaan koken, en leren aldus samenwerken’. Bij observatie bleek dit echter niet: wat men op voorhand wil bereiken, is te weinig uitgepuurd. De activiteit was bijvoorbeeld meer gericht op het klaarmaken van het driegangendiner, niet op de samenwerking. De sociale competenties wordt vaak niet goed uitgewerkt in de activiteit…
Criteria
Men hanteert 5 criteria om uitspraken te doen over de bredeschoolactiviteiten:
- De aard van het product
- De ruimte. In Brede School Het Keerpunt leren jongeren bijvoorbeeld koken in een echt restaurant.
- Betrokken medewerkers: hebben ze echt kennis en ervaring over het thema of zijn het eerder pedagogische begeleiders?
- De rol van externe deskundigen: bijvoorbeeld bij een activiteit die gericht is op het leren koken: is er een echte kok aanwezig? Of een vader of moeder die zeer goed kan koken?
- De frequentie en afwisseling tussen specifieke competenties en algemene competenties.
Rol begeleiders
Of een activiteit écht kwaliteit biedt, staat of valt met de rol van de begeleider. Het gaat er immers niet alleen om de kinderen in een levensechte omgeving te brengen. Het NJI heeft daarom een hulpmiddel ontwikkeld om een beschrijving (educatief ontwerp) van je activiteit te maken. Het formuleren van de doelen is hierbij heel belangrijk. Deze moeten gespecifieerd worden: wat wil ik met deze activiteit nu specifiek bereiken? Op welke van de 3 niveaus, of combinatie van niveaus, zit mijn doelstelling? Na inoefening, slaagt men erin deze doelen helder te formuleren: “ik ga 8 keer koken en wil dat de kinderen … geleerd hebben”.
Waarom is dit zo belangrijk? Aan de hand van het doel, maak je een opbouw van je ‘inkomsten’, van hoe je daar naar toe kan groeien. Wat –in relatie tot het doel van die activiteit- moeten de kinderen zelf gedaan hebben? Bij het kinderpersbureau is de vraag bijvoorbeeld: wat moeten de kinderen nu zelf gedaan hebben om tot een krant te komen? Tijdens één van de activiteiten ga ik de focus leggen op het kunnen maken van een taakverdeling. Als begeleider verdeel je dan ook de rollen niet zelf, maar laat je de kinderen hier over overleggen. In een tweede bijeenkomst gaan ze oefenen rond het maken van vragen, in een volgende gaan ze de straat op om te leren mensen aan te spreken,…
De taak van de begeleider is hierbij dan ervoor te zorgen dat de kinderen in die specifieke situaties terecht komen. Leerkrachten zeggen dan ook dat het allerbelangrijkste dat ze in de bredeschoolwerking geleerd hebben, het loslaten is; de kinderen veel meer zelf te laten doen. Ze kunnen het leren om het zelf te doen, als je hen maar de kans geeft.
Evaluatie-instrumenten
Het allerbelangrijkste in het evalueren, is het evalueren voor jezelf: doe ik de goede dingen en doe ik ze goed?
NJI heeft enkele evaluatie-instrumenten ontwikkeld:
- voor concrete activiteiten: is de doelstelling bereikt, of moet ik bijsturen?
- voor de totaalevaluatie van alle activiteiten.
Er zitten tevens instrumenten in die je nadien kan gebruiken om te plannen.
Het opschrijven van deze evaluaties is ook belangrijk voor de overdraagbaarheid: wat is het inhoudelijke methodische concept van de activiteit?. Anders moet een eventuele vervanging dit weer opnieuw uitdenken. Dit noteren kan uiteraard van heel minimaal tot heel uitgebreid.
Reflectie op de inbreng van Drs. Marja Valkestein
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Verslag plenaire discussie na inbreng van Drs Marja Valkestein
Inbreng vanuit Koldertof: Wat is de plaats van ouders in gans het bredeschoolconcept, als je de 3 doelen van bredeschoolactiviteiten bekijkt (maatschappelijke participatie, levensechte oriëntatie en ontmoeting, ontwikkeling van specifieke competenties met levensechte elementen)? Die zijn immers voornamelijk naar kinderen gericht, terwijl ouders toch ook moeten meegenomen worden?
Drs. Marja Valkestein: Het klopt inderdaad dat de doelen op de kinderen of de jongeren zijn gericht. Brede School gaat over de kinderen en jongeren, dat is de focus van de bredeschoolactiviteiten. Ouders zijn erg belangrijk, maar afgeleid van het belang van de kinderen of jongeren. Er kunnen activiteiten op ouders gericht worden, maar in eerste instantie als versterking van wat je met de kinderen of jongeren wil bereiken.
Er zijn inderdaad ook in Nederland veel Brede Scholen die activiteiten doen met de ouders of de buurt, maar die niets met de kinderen te maken hebben. Er worden bijvoorbeeld extra opvangmogelijkheden voorzien zodat de ouders met twee kunnen gaan werken. Vervolgens voorziet men activiteiten voor de kinderen om dit mogelijk te maken. Wat er gedaan wordt voor de kinderen, is een afgeleide van een doel dat voor de ouders wordt vooropgesteld. Als Brede School gaat het er volgens ons om in eerste instantie na te denken over de activiteiten voor de kinderen.
Vaak zegt men ook “het zijn kansarme ouders die qua levensechtheid niets kunnen inbrengen.” Ons standpunt is echter dat iedere ouder ervaringen heeft die ingezet kunnen worden als men kijkt naar wat de potenties zijn van die ouders. Men staart zich te vaak blind op wat ouders niet kunnen bv. ze kunnen geen Nederlands. Maar alle ouders kunnen iets, hebben iets in te brengen.
Ik zou het ook willen verbreden: niet alleen ouders, ook grootouders, oudere broers en zussen, … De focus op ouders is in die zin te eng. Het gaat erom hoe al deze mensen toe te rusten om hun taak ten behoeve van de ontwikkeling van dit kind, goed te kunnen doen.
Inbreng vanuit Vlaggen en Wimpels Plus: In een bepaald kleuterproject werden ouders gevraagd om de 14 dagen naar de school te komen om taalstimulerende spelletjes te leren die ze thuis met hun kinderen konden spelen. Bij evaluatie bleek op een gegeven moment dat de ouders teveel naar school moesten komen, waardoor ze afhaakten. Ze hadden ook gewoon behoefte om met andere ouders activiteiten te doen die niet in functie van de kinderen stonden.
Drs. Marja Valkestein: Het is mooi om kinderen en ouders samen te brengen in activiteiten. Een ander voorbeeld is sport voor vaders en zonen, … In Nederland wordt nog teveel gedacht in termen van aparte activiteiten voor kinderen en aparte activiteiten voor ouders.
In een bepaalde Brede School werd op een gegeven moment ook een berg van activiteiten georganiseerd. Daar is men weer de focus gaan bepalen: wat is in dit alles het allerbelangrijkste dat je doet voor de kinderen? Noem ook niet alles Brede School: wat je gewoon op school al doet, is gewoon school. Voor je het weet krijg je een stapel projecten, terwijl het in essentie moet gaan om het met elkaar samenwerken omwille van een meerwaarde. Het is dan ook belangrijk af en toe te reflecteren: “is dit nu echt belangrijk?” Als je dan vaststelt dat er bijvoorbeeld 20 dingen voor ouders worden georganiseerd op een school, moet je die op elkaar gaan afstemmen.
Inbreng vanuit Brede School Tielt: Het gaat toch ook voornamelijk rond een visie? Wij vertrekken vooral vanuit het levenslang en levensbreed leren als visie. De school hoeft daar binnen ons project nog niet eens trekker voor te zijn. Het gaat om samenhang, een meer afgestemd aanbod verkrijgen in de stad. Het project is gekoppeld aan een hogeschool. Vandaar dat we ons niet kunnen beperken tot kinderen en jongeren. Onze kinderen en jongeren zijn eigenlijk leraren en kleuterleidsters in opleiding.
Drs. Marja Valkestein: dat zou bij ons geen Brede School heten. Die naam is niet zo belangrijk op zich, maar er heerst wel de visie dat Brede School draait om kinderen en jongeren tot 18 jaar. Voor alle duidelijkheid: opleidingen lijken me ook een interessant gespreksonderwerp, want is heel erg belangrijk.
Maar als jullie het idee hebben dat moet allemaal op de school en vanuit de school, dan hebben jullie me verkeerd begrepen. Doel is samen bepalen waar je iets aan wil doen, maar er is wel steeds een school bij betrokken. Want daar komen alle kinderen in ieder geval naartoe.
Het gaat er niet om dat de school centraal staat, wel het kind. In Nederland is er heel veel discussie of de school wel of niet de trekker moet zijn. Hier las ik dat jullie partners beschouwen als gelijkwaardig. In Nederland is het meer en meer de school die de Brede School trekt. Wat weer niet wil zeggen dat ze de baas is.
Inbreng vanuit Expeditie Kameleon: Het gaat ook om het netwerk dat zo belangrijk is. Wij wegen altijd af of het schoolteam de actie draagt. Als ze erachter staan, hoeven ze dat nog niet te trekken. Dan ga je partners zoeken. Het team hoeft het niet allemaal te doen.
Tussenkomst moderator: Hoe kan men met de gepresenteerde visie aan de slag in het eigen project?
Inbreng vanuit Het Keerpunt: Als het leren zich in een levensechte context bevindt, betekent dit ook dat er iets gedaan wordt dat ertoe doet. Als Brede School is het belangrijk dat je hiervoor de omgevingsfactoren kent en begrijpt. Het is belangrijk je af te vragen wat het belang is van het kind, plús welke invloed je school op de omgeving heeft en wat het belang is van de omgeving? Als leerlingen een maaltijd klaarmaken in het restaurant van de school waar ook derden kunnen eten, drukken ze zich uit ten aanzien van de school én ten aanzien van derden. Naarmate dat je de omgevingsfactoren kent en begrijpt, ga je meer levensechte situaties creëren. In Antwerpen zijn er bijvoorbeeld op politiek vlak een aantal zaken gebeurd. Op dat moment koppel je je school aan de omgeving.
Inbreng vanuit Marco Polo goes XXL: Je kan dit als school, je mag dat als school, en je moet het zelfs: Je maakt deel uit van de leefwereld van die leerlingen en die stopt niet aan de schoolpoort. Als het ertoe doet in je school, dan maak je gebruik van de omgeving.
Inbreng vanuit Brede School Tielt: Door Drs. Marja Valkestein werd maatschappelijke participatie als doel gesteld, terwijl het voor ons vanuit de analyse daarvan vertrok.
Drs. Marja Valkestein: Er zijn twee zaken: 1. Je wordt een Brede School omdat er allerlei dingen in de omgeving gebeuren, waardoor je als school niet als eiland kan fungeren. 2. In de analyse stel je vervolgens de vraag: waar ga ik de activiteiten van de kinderen op richten? Wat moeten de kinderen leren? Moeten ze alleen leren koken of ook leren participeren in de buurt/stad/…? En ga ik de activiteiten dan zo inrichten dat ze dat kunnen oefenen? En vervolgens ergens anders kunnen toepassen. Het gaat er niet om dat alle bredeschoolactiviteiten moeten gericht zijn op maatschappelijk participatie, maar wel dat heel veel Brede Scholen hier te weinig mee bezig zijn.
Inbreng vanuit Expeditie Kameleon: Zijn er in Nederland gegevens bekend over het verschil tussen kinderen uit de krachtwijken die in een Brede School zitten en kinderen die er niet in zitten?
Drs. Marja Valkestein: Dat is een zere plek. Er is wel onderzoek gedaan, maar eigenlijk geen waar je veel aan hebt. Iedereen gelooft er wel in, maar je moet anderen ervan overtuigen. Onlangs werd er onderzoek verricht naar de maatschappelijke opbrengsten van de Brede School, door middel van allerlei rekenmodellen. Het is wel nuttig om er zo naar te kijken, maar men heeft niet gekeken naar de opbrengst ervan voor individuele kinderen: partners zijn goed bezig op vlak van samenwerking, maar in Nederland heeft men bijvoorbeeld geen manier om precies in kaart te brengen wat iedere partner binnen een samenhangend curriculum bijbrengt voor een bepaald kind en zo de individuele ontwikkeling voor kinderen uit te stippelen. Men kan wel onderzoek gaan doen naar wat het oplevert, maar eigenlijk moeten er eerst ‘aan de voorkant’ een hoop dingen gebeurd zijn: welke doelen wil je bereiken? Als je echt wil meten of de Brede School meerwaarde oplevert, dan moet je al een goed systeem hebben opgezet rond wat men graag wil bereiken. Echt groots opgezet vergelijkend onderzoek is weggesmeten geld, als je de dingen ‘aan de voorkant’ niet geregeld hebt. Langs de andere kant, gelooft iedereen er wel in. Je kan via vragenlijsten, interviews,… wel opvolgen wat we vanuit NJI zien gebeuren, wat leerkrachten zien gebeuren, wat ouders en anderen ervan zeggen.
Inbreng vanuit Het Keerpunt: je moet toch durven zeggen “brengt het iets op of niet?”. In ons project is de ouderparticiaptie sinds Brede School bijvoorbeeld niet beter geworden. Een vaststelling is wel dat er 5x minder criminaliteit is in deze straat. Je moet toch durven meten?
Drs. Marja Valkestein: Het heeft met het formuleren van doelen te maken. Als je ouderbetrokkenheid als doel stelt, dan moet je op voorhand al bedenken ”hoe ga ik er heel doelbewust aan werken en hoe ga ik dat straks meten?”
Inbreng vanuit Koldertof: wat zijn de grote knelpunten in Nederland?
Drs. Marja Valkestein: De zoektocht naar hoe je goed, effectief, doelgericht, inhoudelijk met elkaar kan samenwerken. In Nederland gebeurt er veel in nieuwe gezamenlijke gebouwen, maar men doet niets met elkaar. Dat is voor mij ‘ambitieniveau 0’, dat is voor mij geen Brede School. En in de scholen: de medewerking van leerkrachten, want die ervaren het als iets erbij en zijn er bang voor. Dat zeggen ze zo niet, maar ze vinden het bijvoorbeeld wel eng om met de kinderen naar buiten te gaan. Daarom hebben wij een aantal ambitieniveaus onderscheiden. Je kan als school bvb zeggen: we willen op organisatorisch niveau met elkaar afstemmen, of men kan verder gaan en zeggen: we willen inhoudelijk afstemmen, of inhoudelijk samen dingen opzetten. Hoe hoger de ambitie, hoe meer je met elkaar moet doen en uitdenken.
|
|
|
Open Space Techniek: 6 werkgroepen. Weergave van de flappen
Hoe wordt de participatie, de inbreng van leerlingen zelf vorm gegeven? Vraag van het Stimuleringsfonds Brede School Antwerpen
Basis:
-
Verkiezing (zesde leerjaar): kandidaten worden aangesproken en twee
leerlingen worden verkozen. Nu enkele zaken concreet waarmaken - (1) ideeënbus »» (2) kring een keer per maand »» (3) wordt meegenomen naar de klas
Samen school toegankelijk maken
(1) Spontane vraag van leerlingen
(2) Aan tafel in de refter: te groot
(3) Per klas: ideeën omvormen tot concrete voorstellen
Secundair:
-
Enquête »» leerlingenraad »» concrete voorstellen bijvoorbeeld:
internetcafé: zelf regels opstellen. - Buitenstaander geeft vorming om leerlingenraad te begeleiden – (soms) nodig om met leerlingenraad ook resultaten te behalen
- Ook ouderparticipatie is in deze van belang. Bijvoorbeeld verplicht
rapport afhalen door/met ouders MAAR in een aangename sfeer, is geen
strafstudie.
- Individueel bevragen of in groep is niet =
- Vrije tijd
- Je creëert verwachtingen »» opletten voor teleurstelling
- Zelf als school wel zorgen voor een kader
Identiteit: Hoe kan je met je netwerk de verbindingen concretiseren en een gezamenlijke, gedragen visie bekomen? Vraag van Het Keerpunt
- Vanuit de leerkrachten vertrekken
- Zoeken naar de gemeenschappelijke factor, naar gemeenschappelijk doel
- Interviews afnemen: wat leeft er
- bij je partners
- bij je leerlingen
- bij je leerkrachten
- bij de klanten van je partners
- Prioriteiten?
- Iedereen meenemen
- Bevragingen
Brede School vertrekt dikwijls van een focus (kunst, technologie,…) Zie je dit uitbreiden naar andere domeinen/vakken? Vraag van Vlaggen en Wimpels Plus
- Brede School als filter:

- Eerst bekijken wat wel, wat niet?
- Dan pas de stap naar de lessen (essentieel in evaluatie op het einde van de rit)
- Externen werken soms te los van het team, dan is dat moeilijk.
»» Focus op het team! (denken als externen in het kader van de leerkracht hun denken) - Wat nodig is voor de bestendiging kan per school verschillend zijn!
- Vertrek vanuit de bestaande situatie
- Stevige directie/goede coördinatie
- Transparantie over verwachtingen (open communicatie)
- Bijdrage van partners moet duidelijk en concreet zijn
- Samen beslissen over het project
- Meerwaarde moet duidelijk zijn
Effectenmeting? Vraag van Vlaggen en Wimpels Plus
- Bevraging; welbevinden en betrokkenheid ten aanzien van leerlingen over activiteit, dan bespreken.
- Instrument van CEGO (ten aanzien van leerlingen) - WOS-map Wat vind ik van mijn school? - droef of blij? Dan bespreken.
- Instrument vergelijken met eigen observaties.
- Ook: observaties van begeleiders tijdens activiteit
- Na werking: tijd maken om te evalueren
- Cijfers; hoeveel leerlingen bereikt?
- Bevraging zowel ten aanzien van
- leerlingen
- leerkrachten
- ouders/externen/partners
- “Als er betrokkenheid is, is er volgens ons ook effect” »» dan: waarop?
- Vgl. met genormeerde toetsen (=belangrijk)
- Tijd nemen voor meten en bespreken … (iets mee doen)
- Werkpunten uit halen
- Lange termijnprojecten: tussenevaluaties
- Inspectie goed informeren
- Methodiek van bevragen is belangrijk (niet voorstellen)
- Referentiekader maken: bredere werking vaststellen
- Registreren van gegevens om vooruitgang te zien. Er is nood aan meetinstrumenten.

Coördinatie van het project? Wie trek je daar voor aan, …? Vraag van Brede School Berkenbos
- Problematiek rond tijdelijke coördinatie
- Taken van een coördinator:
- Planning
- Overleg met de partners
- Coördinator binnen versus buiten de school
- Binnen: +punt = kennis van gang van zaken op de school
- Buiten:
+punt = onafhankelijk; kan over de netten heen
+punt = kennis over verschillende domeinen (welzijn, sport, jeugd,…)
- [Algemeen: financieringsproblematiek]
- Relatie met leerkrachten = belangrijk
- Uren van het lespakket vrijmaken voor coördinatie
- Draagkracht van de directie wordt overschreden
- Bekommernis: wat na drie jaar?
- Nood aan verduidelijking omrent besteding van de bredeschoolmiddelen
- Brede School werkt niet op vrijwillige basis
Tip Steunpunt Gelijke Onderwijskansen: Bekijk ook ‘De coördinatie van een brede school ... zoals een vis niet zonder water kan’ op www.vlaanderen.be/bredeschool bij ‘In de praktijk’.
|
|
|
Hoe doe je aan interne communicatie: hoe alle leerkrachten, leerlingen, partners zo snel mogelijk op de hoogte brengen? Hoe betrek ik mijn team/school erbij? Vraag van Netwerk IMS
Ten aanzien van leerkrachten
|
Ten aanzien van leerlingen
|
|
Overkoepelende projecten brengen mensen samen
|
|












