Extra informatie over doorlichten

 

Brochure voor leerkrachten en medewerkers

Download hier de brochure (pdf, 2 MB)

De brochure vermeldt het schooljaar 2011-2012, maar de informatie is tevens geldig voor het schooljaar 2012-2013.

 

Presentatie met nuttige informatie over het verloop van een doorlichting

Download hier de presentatie (pdf, 5 MB)

 

CIPO, het referentiekader van de onderwijsinspectie

Met het CIPO-referentiekader verzamelen en ordenen we alle vaststellingen tijdens een doorlichting. De ordening bestaat uit vier delen:

  • Context: Is het een grote of een kleine school, centrum of academie? Ligt ze in een stad of in een landelijke omgeving?
  • Input: Welke leerlingen of cursisten zijn er ingeschreven? Hoe ziet het personeelsbestand eruit?
  • Proces: Op welke manier streeft de school, het centrum of de academie haar doelstellingen na? En welke acties onderneemt ze daarvoor?
  • Output: Wat is het resultaat van de leerlingen of de cursisten?

We vertrekken bij ons onderzoek vanuit de output: we kijken wat de instelling met al haar activiteiten bij haar leerlingen of cursisten bereikt.
De processen verklaren het al dan niet bereiken van die resultaten.
Ten slotte kijken we ook naar de context en de input om de werking van de instelling en de resultaten beter te kunnen begrijpen.

Het CIPO-referentiekader bestaat dus uit vier componenten: context, input, proces en output. Enkel de component ‘proces’ wordt in domeinen onderverdeeld: de domeinen ‘algemeen’, ‘personeel’, ‘logistiek’ en ‘onderwijs’.
De componenten en domeinen zijn verder opgesplitst in indicatoren en variabelen. Indicatoren kunnen meerdere variabelen inhoudelijk groeperen.
Het CIPO-referentiekader houdt maximaal rekening met de autonomie en beleidsruimte die instellingen hebben om de hen opgedragen doelstellingen te realiseren.
Daarom zijn de CIPO-indicatoren en -variabelen niet normerend maar neutraal geformuleerd.

Het besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot het referentiekader van de inspectie van 1/10/2010 verankert het CIPO-referentiekader en geeft een omschrijving van de indicatoren en variabelen.

 

De kwaliteitswijzer van de onderwijsinspectie

Oorsprong van de kwaliteitswijzer

Om de geselecteerde procesvariabelen te beoordelen, gebruikt de onderwijsinspectie een instrument dat ontwikkeld werd op basis van inzichten in kwaliteitsmanagement: de kwaliteitswijzer.

De vakliteratuur vermeldt dat kwaliteitsbewaking steeds te maken heeft met vier kwaliteitsaspecten:

  1. Strategische beleidsvorming. Er is steeds sprake van de ontwikkeling van doelen en de omzetting van deze doelen in actieplannen
  2. Structurele en culturele vormgeving. In een kwaliteitssysteem is er steeds aandacht voor de beheersing (en verbetering) van structuren enerzijds en van de bedrijfscultuur anderzijds als voorwaarde voor duurzame verbetering van kwaliteit. Hierbij wordt verwezen naar aspecten zoals aandacht voor kennis en vaardigheden van medewerkers, respect voor regels, ondersteuning van de werkmethode, informatiedoorstroming, aandacht voor innovatie, gerichtheid op vertrouwen, respect.
  3. Interne audit. Het evalueren van het kwaliteitssysteem op doelmatigheid en bruikbaarheid. Het verzamelen van ‘objectief’ bewijs dat de doelen bereikt worden.
  4. Beheersings- en verbeteracties. Het gedetailleerd uitwerken van doelgerichte acties, van activiteiten die tot doel hebben om processen te borgen of te verbeteren. Belangrijk hierbij is ook dat taken, verantwoordelijken en bevoegdheden duidelijk afgebakend worden.

Het zijn deze kwaliteitsaspecten die richting gaven aan de opbouw van de ‘kwaliteitswijzer’. We vertaalden ze naar een onderwijscontext en benoemden ze als ‘doelgerichtheid’, ‘ondersteuning’, ‘doeltreffendheid’ en ‘ontwikkeling’.

Deze vier kwaliteitsaspecten zijn voor de onderwijsinspectie minimumvereisten om op een systematische wijze de kwaliteit van processen te bewaken. Hoe een instelling de kwaliteitsbewaking concreet aanpakt, welke instrumenten en systemen ze gebruikt en welke activiteiten ze daarbij ontplooit, behoort tot de autonomie van de instelling.

Een instelling die de eigen kwaliteit bewaakt, heeft zicht op de volgende te nemen stappen en zal zich daarop concentreren. Op sommige momenten kan dus één van de vier kwaliteitsaspecten meer aandacht krijgen.
De kwaliteitswijzer is een flexibel instrument dat rekening houdt met het ontwikkelingstraject van de instelling. We verwachten niet dat elke instelling onmiddellijk de cirkel van de vier kwaliteitsaspecten systematisch doorloopt.

De vier kwaliteitsaspecten

Hieronder volgt een korte beschrijving van de vier kwaliteitsaspecten:

  1. Doelgerichtheid: aandacht voor het doel van de processen en dit gekaderd binnen een algemene visie van de instelling en de verwachtingen van de overheid. Het is belangrijk dat een instelling duidelijke doelen vooropstelt en kan verantwoorden waarom ze die doelen wil bereiken. Het gewenste resultaat wordt best zo concreet mogelijk beschreven zodat de controle op doeltreffendheid mogelijk wordt.
  2. Ondersteuning: aandacht voor een kwaliteitsvol verloop van de processen door het verlenen van voldoende ondersteuning. De weg naar het doel moet zo efficiënt mogelijk verlopen, de acties moeten ondersteund worden zodat de kans op succes groot is. Deze ondersteuning is niet alleen van materiële of structurele aard maar heeft net zo goed betrekking op de ‘menselijke factor’. Gemotiveerde mensen die de zin en het belang van het doel inzien, zijn onontbeerlijk voor kwaliteit. Refererend naar schoolcultuur noemen we dit laatste aspect ‘culturele ondersteuning’.
  3. Doeltreffendheid: aandacht voor de resultaten van de processen in functie van de vooropgestelde doelen. Kwaliteitsbewaking veronderstelt steeds dat op bepaalde momenten onderzocht wordt of de vooropgestelde doelen bereikt worden. Dit kan op verschillende niveaus en verschillende manieren gebeuren: kritische zelfreflectie van personeelsleden, een zelfevaluatie op instellingsniveau, een evaluatie door externen. Belangrijk is dat er duidelijke relatie is tussen wat ‘gemeten’ wordt en de vooropgestelde doelen. De beoordeling moet met andere woorden ‘gepast’ zijn. De instelling legt best zo veel mogelijk de link met de uiteindelijke resultaten van de processen bij de leerling /cursist. Dit weerspiegelt zich in het verslag door in het kwaliteitsonderzoek het verband te leggen met gegevens die het team verzamelde over de output-indicatoren.
  4. Ontwikkeling: aandacht voor een verdere ontwikkeling van de processen met het oog op een verbetering van de kwaliteit. Onderwijs staat niet stil. Voortdurend zijn er nieuwe verwachtingen vanuit de overheid, vanuit de omgeving. Kwaliteitsonderwijs betekent ook dat instellingen open staan voor deze verwachtingen, bereid zijn om in te spelen op deze verwachtingen en voldoende dynamisch zijn om dit ook te doen.
In schema
Doelgerichtheid
  • Gekaderd binnen algemene visie / leerplanvisie
  • Verantwoording (t.o.v. betrokkenen, t.o.v. de overheid)
  • Geoperationaliseerde doelen (duidelijk, resultaatsgericht)
Ondersteuning
  • structureel (adequate organisatie, aanpak, taakverdeling, uitrusting en omkadering om doelen te kunnen realiseren)
  • cultureel (gerichtheid op mensen en waarden, inspireren, motiveren, waarderen)
Doeltreffendheid
  • Zelfreflectie over aanpak en resultaten
  • Gebruik maken van gepaste beoordelingsmethodes
  • Openheid voor externe beoordelingen
Ontwikkeling
  • Responsiviteit (openheid voor vragen en verwachtingen omgeving/overheid)
  • Ontwikkelingsdynamiek (bereidheid tot professionalisering, veranderingsbereidheid)
Een illustratie

Zo stellen de onderwijsinspecteurs bijvoorbeeld de volgende vragen wanneer de procesvariabele ‘aanvangsbegeleiding’ deel uitmaakt van de doorlichtingsfocus:

  • doelgerichtheid: welke visie heeft de school op de begeleiding van beginnende leerkrachten of medewerkers? Welke verwachtingen stelt ze voorop?
  • ondersteuning: welke middelen zijn er om de nieuwe leerkrachten of medewerkers wegwijs te maken in de school en hen te begeleiden? Wie is bij de aanvangsbegeleiding betrokken?
  • doeltreffendheid: hoe krijgt de school zicht op de effecten van de aanvangsbegeleiding? Geeft de beginnende leerkracht of medewerker feedback?
  • ontwikkeling: stuurt de school de aanvangsbegeleiding bij? Vergroot de school haar expertise inzake aanvangsbegeleiding?

 

Controle van de specifieke eindtermen onderzoekscompetentie (DSETOC) in so

Minimumeisen voor het realiseren van de DSETOC, die de school moet kunnen aantonen bij inspectie zijn de volgende:

  1. het onderwerp is poolgebonden
  2. het onderwerp kan perfect binnen het kader van de leerplaninhouden blijven
  3. daar waar cesuurdoelen zijn bepaald vanaf de tweede graad, wordt daar rekening mee gehouden
  4. het onderzoek moet voldoende diepgang hebben, maar op het niveau secundair onderwijs blijven en rekening houden met de eraan verbonden mogelijkheden en beperkingen
  5. de omvang van het onderzoek is ondergeschikt aan het bereiken van de DSETOC
  6. in het werk van de leerling moet een onderzoeksvraag/-opdracht aanwezig zijn (al dan niet expliciet gekoppeld aan een hypothese)
  7. de leerling verzamelt, ordent en bewerkt informatie over de onderzoeksvraag
  8. er is informatieverwerving en- verwerking gebeurd
  9. er is een rapportering door de leerlingen
  10. er heeft een confrontatie plaatsgevonden met andere standpunten. Dit is voor de pool wiskunde, gezien de aard van de discipline niet (steeds) haalbaar
  11. de evaluatie gebeurt binnen de richtlijnen voor evaluatie van de leerplannen, die zowel proces als productevaluatie vooropstellen
  12. de evaluatie moet aantonen dat de leerlingen de DSETOC realiseren; er is dus minstens een soort assessmentformulier aanwezig
  13. alle in de DSETOC vermelde elementen zijn aanwezig in de evaluatie: zich oriënteren, voorbereiden, uitvoeren, evalueren, rapporteren, confronteren.

 

 

Terug naar: Doorlichten