Logo Vlaamse overheid. Nieuws Onderwijs en Vorming. Nieuwsberichten, persberichten, nieuwe sites,...
U bent hier: Onderwijs en Vorming > Nieuws > Bakens uitgezet voor hervorming dko, persbericht 10 maart 2011
Nieuws- en persberichten

Archieven

 

Meer nieuws

Bakens uitgezet voor hervorming deeltijds kunstonderwijs

Persbericht Kabinet Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel
Donderdag 10 maart 2011

De Vlaamse Regering keurde op 4 maart de conceptnota goed over de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs, kortweg DKO. Deze nota legt de krijtlijnen uit voor een grondige vernieuwing van dit onderwijsniveau. Rode draad door deze hervormings-plannen is de aanpassing van de inhoud en structuur van de opleiding aan de dynamiek die de afgelopen jaren in het werkveld zelf op gang is gekomen. De Vlaamse Regering gelastte minister Smet om formeel advies te vragen aan de SERV, SARC, VLOr en Vlaamse Jeugdraad en verder te overleggen met het onderwijs- en cultuurveld.

170.377 leerlingen volgden in het schooljaar 2009-2010 een opleiding in het deeltijds kunstonderwijs (DKO). Dat zijn de 169 academies voor beeldende kunsten of muziek, woordkunst en dans. 6 van hen bieden zowel beeldende kunst als muziek, woordkunst of dans aan. In 327 Vlaamse en Brusselse gemeenten (of 82,3% van alle gemeenten) kunnen kinderen, jongeren en volwassenen terecht voor een kwaliteitsvolle kunstopleiding. Kinderen en jongeren ontdekken en ontwikkelen er hun artistiek talent. De stijgende leerlingencijfers over 10 schooljaren tonen aan dat meer en meer ouders hun kind in de vrije tijd naar de academie sturen (van 109.957 in 2000-2001 naar 127.017 in 2009-2010). Dat wijst op het toenemende belang dat ouders hechten aan de kunstzinnige ontwikkeling van hun kind naast de meer cognitieve ontwikkeling op school. Ook bij de volwassenen zitten de leerlingencijfers in de lift (van 30.993 in 2000-2001 naar 127.017 in 2009-2010).

De toenemende populariteit van het DKO neemt niet weg dat een actualisering van de opleidingenstructuur nodig is. De laatste grote hervorming –en dus de huidige regelgeving-   dateert van 1990. Een gemengde werkgroep van beleidsmakers en deskundigen uit het werkveld (directeurs, leerkrachten, docenten hoger kunstonderwijs, pedagogisch adviseurs enz.) heeft met het rapport Verdieping/Verbreding (dec. 2008) uitdagingen en voorstellen voor de toekomst geformuleerd. Het Vlaams Regeerakkoord en de Beleidsnota Onderwijs 2009-2014 kondigen voor deze legislatuur een nieuw niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs aan en nemen het rapport als één van de vertrekpunten. De nieuwe missie van het deeltijds kunstonderwijs omvat twee doelstellingen:

De voorliggende conceptnota focust hoofdzakelijk op de eerste doelstelling. De nota tekent een nieuwe curriculumstructuur uit. De bedoeling is om de sterktes van de huidige structuur te behouden, maar tegelijk meer flexibiliteit in te bouwen en beter in te spelen op de hedendaagse ontwikkeling in de kunsten.

De voorgestelde vernieuwing heeft drie doelen voor ogen:

Een leerlinggericht DKO

Kenmerkend voor het deeltijds kunstonderwijs is de grote verscheidenheid aan leerlingen die er les volgen. Niet alleen treffen we grote leeftijdsverschillen aan, gaande van kinderen tot senioren; ook de leervraag kan sterk verschillen. De meerderheid volgt een opleiding met het oog op kunstbeoefening in de vrije tijd. Voor een andere groep leerlingen vormt het DKO de voorbereiding tot vervolgonderwijs in de kunsten. Een beperkte groep zal na een DKO-opleiding zijn competenties inzetten op de arbeidsmarkt.

Met die verschillende leerverwachtingen willen we expliciet rekening houden door verschillende leerroutes voor te stellen, naargelang de context waar de leerlingen na het DKO terecht (willen) komen.

Een actueel DKO

In de conceptnota wordt een nieuwe structuur voorgesteld die vertrekt vanuit vijf domeinen: beeld, woord, dans, muziek en mediakunst. Door het DKO nadrukkelijk te profileren als één geheel wordt een onderlinge beïnvloeding van verschillende artistieke uitdrukkingsvormen mogelijk, via cross-overs tussen kunstvormen, stijlen en genres. We sluiten daardoor aan bij toenemende hybridisering in de actuele kunsten. Leerlingen zullen uiteraard de keuze hebben om zich te specialiseren in één domein of om verschillende disciplines te combineren..
Via een aangepaste procedure willen we  het in de toekomst mogelijk maken flexibel in te spelen op nieuwe opleidingsbehoeften die academies vaststellen of die zich manifesteren in het werkveld (bv. noden in de creatieve industrie, nieuwe tendensen in de kunsten).
We stellen vast dat bepaalde groepen jongeren en volwassenen vandaag geen DKO-opleiding volgen omdat ze zich te weinig herkennen in het bestaande aanbod. Door opleidingen en keuzemogelijkheden aan te bieden die aansluiten bij niet-westerse cultuuruitingen of bij jongeren(sub)culturen (cf. urban arts) streven we naar een meer divers leerlingenpubliek.

Een doelgericht DKO

Het voorstel van vernieuwing beoogt  ook een zichtbare afbakening van de leerresultaten en de afstemmingsmogelijkheden van het DKO op de andere onderwijsniveaus. De keuze voor specifieke eindtermen en basiscompetenties zal de kwaliteitsgarantie versterken doordat inspectie, leerplanmakers en lerarenopleiders hierin een ijkpunt kunnen vinden. De formele leerresultaten zullen ook de transparantie in verworven competenties vergroten: door de leerresultaten te verbinden met de Vlaamse Kwalificatiestructuur zullen de certificaten die leerlingen behalen in het DKO maatschappelijk gevalideerd zijn, iets wat tot nu toe niet het geval was.

Krijtlijnen van het nieuwe curriculum

De nieuwe voorgestelde structuur omvat vier graden. Leerlingen vanaf zes jaar kunnen in een welbepaalde graad starten op voorwaarde dat ze de leerresultaten van de onderliggende graad verworven hebben. Dit uitgangspunt betekent een wezenlijk verschil met de huidige structuur: de koppeling tussen graden en leeftijd wordt verlaten. Voor heel het DKO wordt gekozen voor een uniforme benadering: leerlingen stromen in en door op basis van competenties. Voor de meesten zal dit betekenen dat ze de vier graden moeten doorlopen, maar wie in een andere context (bijvoorbeeld in amateurkunsten of als autodidact) al competenties verworven heeft kan mogelijk meteen in een hogere graad starten.

De 1e en 2e graad zijn bedoeld voor de beginnende kunstbeoefenaar. Voor kinderen is het belangrijk dat zij ontdekken welke expressievorm hen het best ligt: beeld, dans, drama, muziek of mediakunst. Daarom wordt voorgesteld om de 1e graad domeinoverschrijdend aan te bieden. Dat geeft kinderen de kans om  verschillende muzische domeinen te ontdekken en vervolgens een gemotiveerde keuze te maken.  Na 1 of 2 leerjaren kunnen ze naar de 2e graad overstappen. Daar maken leerlingen een specifiekere keuze voor één domein en in muziek kiezen ze een instrument. Het spelplezier staat net als in de 1e graad erg centraal. De conceptnota kiest daarom voor een sterk geïntegreerde aanpak: de leerlingen volgen slechts één vak (opleidingsonderdeel). De wisselwerking tussen zichzelf artistiek uitdrukken en het verwerven van artistieke kennis en vaardigheden kan daardoor optimaal verlopen. Voor de muziekopleiding betekent dit voorstel een ingrijpende vernieuwing. In de huidige lagere graad volgen de leerlingen drie afzonderlijke vakken: instrument, algemene muzikale vorming (AMV) en samenzang. Door het musiceren zelf en het plezier dat leerlingen daaraan beleven als vertrekpunt te nemen sluit de opleiding aan bij de initiële interesse van kinderen (een instrument bespelen of zingen). Zelf musiceren, hoe beperkt de mogelijkheden ook zijn, vormt de motor voor het verwerven van noodzakelijke muzikale vaardigheden en kennis (bv. notenschrift, psychomotorische vaardigheden, muzikale parameters). De leerkrachten die nu verschillende vakken geven, zullen ook in toekomst een tandem vormen die samen de leerdoelen realiseert.

Gevorderde kunstbeoefenaars komen in het nieuwe voorstel terecht in de 3e en 4e graad. Leerlingen kunnen hier hun keuze nog verfijnen, bv. acteren, hedendaagse dans, pop en rockband, auditieve media, juweelontwerpen enz. In de 3e en 4e graad vormt het ‘atelier’ de spil van de opleiding. Daarnaast volgen de leerlingen specifieke en facultatieve opleidingsonderdelen om hun competenties voor het atelier te verdiepen, bv. kunstgeschiedenis en –actualiteit. Het wordt ook mogelijk om opleidingsonderdelen uit andere opleidingen te volgen. Dansleerlingen kunnen bv. in het facultatieve onderdeel ‘mediatechniek en expressie’ met een camera leren werken om daarop vervolgens weer te improviseren.
In de 4e en laatste graad wordt voorgesteld de leerlingen te laten kiezen voor doorstroom- of uitstroomopleidingen. Leerlingen die hoger kunstonderwijs willen volgen, krijgen in de doorstroomopleiding een intensieve voorbereiding hierop. Dat kan door een ruimere studieomvang en bijkomende opleidingsonderdelen. In uitstroomopleidingen zullen leerlingen doelgericht voorbereid worden op de overstap naar kunstbeoefening in de vrije tijd (ondermeer de amateurkunsten) of als (semi)professioneel kunstbeoefenaar.

Leerlingen die de 4e graad succesvol beëindigen ontvangen een certificaat. Voor leerlingen van de doorstroomopleiding is dat het specifieke gedeelte van een onderwijskwalificatie van niveau 4 van de Vlaamse kwalificatiestructuur. De specifieke eindtermen die deze leerlingen moeten bereiken zullen dezelfde zijn als die van het kunstsecundair onderwijs. Leerlingen van uitstroomopleidingen behalen een (deel van) een beroepskwalificatie van niveau 3, 4 of 5. Welk niveau precies, zal afhangen van de nog te ontwikkelen beroepscompetentie-profielen en de inschaling ervan. De koppeling met onderwijs- en beroepskwalificaties zal ervoor zorgen dat de DKO-certificaten ‘civiel effect’ hebben, wat nu niet het geval is. In combinatie met de opleiding ‘aanvullende algemene vorming’ van het volwassenenonderwijs kan het DKO-certificaat daardoor zelfs een diploma secundair onderwijs opleveren.

Studieomvang en omkadering

De conceptnota tekent in een laatste hoofdstuk een aantal krijtlijnen voor de studieomvang en omkadering uit. De huidige schooljaarstructuur en de lineaire leertrajecten blijven behouden. Artistieke competenties (bv. verbeeldingskracht, ritmegevoel, instrumentale vaardigheden) kunnen niet zomaar ‘ingestudeerd’ worden. De combinatie van DKO met voltijds onderwijs, professionele activiteiten, gezinsleven en andere vrijetijdsactiviteiten kan wel makkelijker worden. Zo kunnen wekelijkse lestijden gegroepeerd worden in tweewekelijkse of maandelijkse lesblokken. Bepaalde opleidingsonderdelen zouden ook via e-learning gevolgd kunnen worden. Leerlingen kunnen daardoor het aantal verplaatsingen naar de academie beperken. Ook het spreiden van opleidingen over meer leerjaren kan ervoor zorgen dat leerlingen hun leerinspanning beter kunnen doseren.

Meer info

Lees de conceptnota Kunst verandert! op de dko-website

Naar boven

 

 

 

[menu_nieuws_leeg.htm]