Culturele activiteiten, sport en uitstappen in het basisonderwijs voor en na
het invoeren van de maximumfactuur
Rapporten + samenvatting in pdf
Culturele
activiteiten, sport en uitstappen voor en na maximumfactuur (pdf, 35 p.)
Gesprekken met
directies en verbanden met schoolkenmerken (pdf, 143 p.)
Samenvatting (3 p.)
Samenvatting van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen, Leuven
Sinds het schooljaar 2008-2009 zijn in het basisonderwijs de maximumfacturen
van kracht.
Dit betekent dat financiële uitgaven van ouders om hun kinderen te laten
participeren aan
ééndaagse sportieve, culturele en educatieve activiteiten en ééndaagse
schoolreizen beperkt
werden tot € 20,- per schooljaar in het kleuteronderwijs en € 60,- in het lager
onderwijs.
Eveneens zijn de uitgaven om deel te nemen aan meerdaagse schoolactiviteiten (de
minder
scherpe maximumfactuur) sinds dat schooljaar beperkt tot € 360,- over de 6 jaar
lager
onderwijs.
Wat is de eventuele invloed van de invoering van de maximumfacturen op de
organisatie van
dergelijke ééndaagse en meerdaagse activiteiten en uitstappen in het
basisonderwijs? Het
Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen volgde van 2006-2007 tot 2008-2009 de
situatie in een
aantal basisscholen op de voet.
Kwantitatief onderzoek
Vergelijkt het Steunpunt de situatie van het aantal ééndaagse
schooluitstappen of schoolreizen
(bv. bosuitstap, bezoek aan kinderboerderij, pretparkbezoek,…) tijdens het
schooljaar 2006-
2007 met het schooljaar 2008-2009 -dus voor en na het invoeren van de
maximumfactuurdan
lijkt het aantal uitstappen gedaald te zijn met zo’n 10% in het lager onderwijs.
De
specifieke ‘culturele en educatieve activiteiten’ (bijvoorbeeld theater-,
muziek- of
filmvoorstelling binnen of buiten de school, museumbezoek,…) zouden verminderd
zijn met
zo’n 4% in het lager onderwijs. Sinds het invoeren van de maximumfactuur kan een
leerling
uit het lager onderwijs zo’n 30-tal van deze activiteiten verwachten in de loop
van 6 jaar,
m.a.w. zo’n vijftal activiteiten per schooljaar. Maar de verschillen tussen
scholen zijn enorm:
sommige scholen bieden minder dan 2 culturele activiteiten aan per jaar, terwijl
andere
scholen aangeven gemiddeld 10 culturele en educatieve activiteiten per jaar te
organiseren.
Het aantal specifieke sportactiviteiten (bijvoorbeeld sportdag binnen of buiten
de school,
zwemmen, fietstocht, schaatsen,…) dat in de lagere school georganiseerd wordt is
gedaald
met zo’n 4%.
In het kleuteronderwijs is het aanbod van culturele en educatieve activiteiten
twee jaar na het
invoeren van de maximumfactuur nagenoeg stabiel. Er is nauwelijks een wijziging
sinds de
invoering van de maximumfactuur. Het aantal sportactiviteiten lijkt met ca. 7 %
verminderd.
Ook gaan kleuters iets minder dan voorheen gedurende een volledige dag op stap.
De
onderzoekers stellen een kleine daling (van ca. 4%) vast.
Sinds het invoeren van de maximumfactuur worden ook iets minder meerdaagse
uitstappen
georganiseerd: zo is het aantal verblijfsdagen op ‘meerdaagse uitstappen’ in
20008-2009 in
het lager onderwijs met zo’n 8% gedaald, wat ongeveer neerkomt op één
verblijfsdag minder
in de loop van zes leerjaren. Het lijkt erop dat de scholen die in het onderzoek
waren
betrokken iets minder (lang) op bosklassen gaan en vooral minder (lang) op
sneeuwklassen
gaan. Maar ook hier zijn de verschillen tussen de scholen bijzonder groot.
Terwijl gemiddeld
gesproken een leerling in de loop van 6 jaar lager onderwijs in het totaal zo’n
12 à 14 dagen
participeert aan meerdaagse schooluitstappen, gaat men in sommige scholen nooit
op
meerdaagse uitstap. Tegelijk zijn er ook scholen die aangeven tijdens het lager
onderwijs zo’n
34 dagen op meerdaagse uitstap te trekken, of dus zo’n 5 à 6 dagen per leerjaar.
Zeer opvallend in het onderzoek is dus dat er enorme verschillen bestaan
tussen het
activiteitenaanbod van scholen. Dit betreft niet alleen de omvang van het
activiteitenaanbod
en de mix van verschillende soorten activiteiten, maar er zijn ook grote
verschillen in de
veranderingen: in sommige scholen is het aantal activiteiten gedaald, terwijl in
ander scholen
het aantal activiteiten gestegen is sinds de invoering van de maximumfactuur.
Kwalitatief onderzoek
Deze onderzoeksvaststellingen vroegen dus om verder onderzoek om een beter
zicht te
krijgen wat er in het basisonderwijs aan de hand is sinds het invoeren van de
maximumfacturen. Wat verklaart die verschillen tussen scholen? Welk beleid
voeren directies
m.b.t. de maximumfactuur en wat is hun verklaring voor de vastgestelde evoluties
sinds het
invoeren van de maximumfacturen? Bij deze verdere inzichten waarschuwen de
onderzoekers
evenwel om voorzichtig om te springen met de kwantitatieve resultaten die hierna
vermeld
worden. Het aantal scholen dat gedurende een 3-tal schooljaren gevolgd werd is
relatief klein,
waardoor vertekeningen van één of enkele uitzonderlijke scholen niet zijn
uitgesloten. Men
moet dus voorzichtig zijn als men de resultaten die in het vervolg van deze
tekst worden
weergegeven, veralgemeent naar de situatie van alle basisscholen in Vlaanderen.
Het Steunpunt ging na of er een verband was tussen de grootte van de school,
de ligging van
de school en de evolutie van het aanbod van de activiteiten sinds de invoering
van de
maximumfactuur. Alleen in kleine plattelandsscholen lijkt het aanbod van
culturele
activiteiten verminderd. Ook werd nagegaan of scholen die veel of weinig GOK-
leerlingen
hebben, het moeilijker of gemakkelijker hadden om de gevolgen van de
maximumfactuur op
te vangen. Dit blijkt niet het geval te zijn: er is geen verband tussen de
omvang van het
activiteitenaanbod of de evolutie in het aanbod sinds de invoering van de
maximumfactuur.
Bij het invoeren van de maximumfacturen investeerde de Vlaamse Overheid heel
wat extra
middelen in het basisonderwijs. Dit gebeurde met de invoering van het nieuwe
financieringsdecreet. Vandaar rijst de vraag in welke mate de extra middelen die
een school
gemiddeld per leerling kreeg, samenging met een evolutie in aanbod aan culturele
activiteiten,
sportactiviteiten en uitstappen. Hebben scholen deze extra middelen gebruikt om
eventuele
kosten die niet meer aan ouders konden aangerekend worden, te compenseren? Dit
kon alleen
voor het officieel en het vrij gesubsidieerd onderwijs nagegaan worden: De
onderzoekers
konden niet concluderen dat de verhoging van het werkingsbudget –tegelijk met de
invoering
van de maximumfacturen- een effect had.
Een vraag die hierbij opduikt is hoe deze vaststellingen kunnen verklaard
worden. Heeft dit te
maken hebben met het feit dat scholen de werkingsmiddelen in de eerste plaats
beschouwen
als middelen die dienen voor de aankoop van didactisch materiaal, verwarming,
enz., m.a.w.
zaken die op hun prioriteitenlijst misschien hoger staan dan het financieren van
activiteiten ter
compensatie van de maximumfacturen? Dit werd door het Steunpunt onderzocht op
basis van
interviews met directeurs. De keuzes die directies maken in hun school hangen af
van
verschillende contextfactoren zoals noodzakelijke financiële prioriteiten die de
school dient te
leggen (bv. schuldenlast lening), het flankerend beleid dat de gemeente voert,
de afstand van
de school tot de activiteiten, de financiële steun van een vriendenkring of
oudercomité,… Wat
de afstand van de school tot de activiteiten betreft, blijkt uit de
kwantitatieve analyse dat
vooral in kleine plattelandsscholen het aanbod van culturele activiteiten
verminderd is. Bij
grotere plattelandsscholen kon dit niet vast gesteld worden.
Uit interviews met de directies blijkt dat het beleid dat scholen voeren in
het omgaan met de
maximumfactuur heel verschillend is. Scholen die vroeger reeds onder de bedragen
van de
maximumfacturen zaten, hebben zoveel mogelijk hun activiteitenaanbod behouden.
De andere
scholen hebben keuzes moeten maken. Sommige directeurs zijn hiervoor in overleg
getreden
met de ouders. Scholen die in hun aanbod hebben moeten schrappen, geven aan hun
activiteitenkeuze vooral te laten afhangen van wat op school kan gegeven worden
of van het
aanbod dat ze krijgen van de omgeving. Ook blijken ze creatiever te zoeken naar
alternatieve
gratis of minder dure activiteiten (bv. wat met de fiets te bereiken is).
De maximumfactuur kent bij de directies zowel voor- als tegenstanders. Een
meerderheid van
de geïnterviewde directies staat volgens de onderzoekers achter het principe van
de
maximumfactuur. Aangehaalde voordelen zijn ondermeer de duidelijkheid die nu
bestaat over
de kosten en bijdragen die scholen kunnen vragen, alsook het grondig debat dat
directies,
leerkrachten en soms ook ouderverenigingen voerden over het aanbod van
activiteiten als
gevolg van de invoering van de maximumfactuur.
Keerzijde van de medaille voor sommige directeurs is dat het invoeren van de
maximumfactuur leidt tot extra administratieve rompslomp. Zo zou het bijhouden
van
gegevens m.b.t. de maximumfactuur en het opstellen van een gedetailleerde
facturatie per
leerling veel tijd vergen. Daarnaast vragen ze zich af of het wel nodig was dat
de
maximumfactuur werd ingevoerd. Ofwel zijn ze van mening dat ze de bedragen van
de
maximumfactuur al respecteerden, ofwel was dit nog niet het geval maar hadden ze
niet de
indruk dat de ouders klachten hadden over de gevraagde bedragen. Een aantal
directies
apprecieert het dwingende karakter van de maximumfactuur niet. Ook signaleren
scholen als
knelpunt dat alles duurder wordt. Het leerlingenvervoer blijkt vooral een
belangrijke kost te
zijn. Zowel keuze als inhoud van de activiteiten wordt vooral beïnvloed door de
impact van
de vervoerskosten op het budget.
Ouders zijn volgens de directies vooral niet tevreden als er geschrapt wordt
in het
activiteitenaanbod. Zo zijn ouders het oneens als tradities zoals sneeuwklassen
geschrapt
worden. Daarenboven zouden een aantal ouders sinds de invoering van de
maximumfactuur
zich gedragen alsof alles nu dient gratis te zijn. Een meerderheid van de
geïnterviewde
directies ziet zich overigens geconfronteerd met een toenemende groep
wanbetalers.
Bronnen
De Vos, H., Van Landeghem, G, Veyt , T., & Van Damme., J(2011). De
maximumfactuur in
het basisonderwijs. Gesprekken met directies en verbanden met schoolkenmerken.
SSLrapport
OD1/2011.30 Leuven: Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen.
Van Landeghem, G, Vandenberghe, N., & Van Damme., J (2010). Culturele
activiteiten, sport
en uitstappen in het basisonderwijs voor en na het invoeren van de
maximumfacturen. SSLrapport
OD1/2010.30. Leuven: Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen.
|