Wat is onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek?Het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (OBPWO)
is bedoeld voor de voorbereiding, de uitvoering, de evaluatie en de bijsturing
van het onderwijsbeleid en de onderwijspraktijk. Terugkoppeling naar beleidDe regelgeving werd op 7 september 1994 door de Vlaamse regering goedgekeurd. Belgisch Staatsblad van 07.12.1994 (pdf, 69kB) (pagina 30337 - 30343) Daarin staat de wederzijdse bevruchting van onderzoek en beleid centraal. Enerzijds worden de onderzoeksthema's ingebed in het onderwijsbeleid op lange, middellange en korte termijn. Anderzijds wordt de terugkoppeling van de onderzoeksresultaten naar het beleid gestimuleerd. Elk jaar deelt de Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs zijn voorstellen
tot onderzoeksthema's mee aan de secretaris-generaal van het departement
Onderwijs. Die vraagt zelf ook voorstellen aan de departementale directieraad en
het college van inspecteurs-generaal. De Vlaamse onderwijsraad geeft een advies
over de voorgestelde thema's. Daarna legt de minister de prioritaire
onderzoeksthema's vast. Bij de selectie van de onderzoeksthema's spelen 2
criteria een belangrijke rol. Een zekere continuïteit van het onderzoek moet
gewaarborgd blijven, en het onderzoek moet het beleid onderbouwen. Twee evaluatiecommissiesAls de onderzoeksthema's vastliggen, nodigt de minister de Vlaamse universiteiten uit onderzoeksvoorstellen in te dienen. In die oproep worden de modaliteiten bepaald waaraan de onderzoeksvoorstellen moeten voldoen. Ook hogescholen en scholengemeenschappen kunnen voorstellen indienen, maar dan moeten ze daarvoor wel samenwerken met een universitair onderzoeksinstituut. Bij de beoordeling van de ingediende voorstellen gelden twee criteria : de relevantie voor het beleid en de wetenschappelijke waarde. Voor de beoordeling staan dan twee commissies in. De eerste onderzoekt of het onderzoekvoorstel aansluit bij de prioritaire thema's en een antwoord kan bieden op de gestelde beleidsvragen. De tweede bekijkt de wetenschappelijke kwaliteit van het voorstel : de theoretische fundering, de precisie van de onderzoeksmethode, de haalbaarheid van de vooropgestelde werkzaamheden, de kwalificaties en ervaring van het onderzoeksteam. De twee commissies werken onafhankelijk van elkaar. Aan de hand van hun beoordelingen wordt een dubbele rangschikking opgesteld en aan de minister voorgelegd. De minister bepaalt de algemene rangschikking van de projecten die op beide criteria het best scoren en stelt de projecten vast die voor subsidiëring in aanmerking komen. Nadat hij zijn keuze heeft gemaakt, legt hij zijn voorstel voor aan de Vlaamse regering. Er wordt voor elk onderzoeksproject een overeenkomst opgemaakt tussen de
minister bevoegd voor onderwijs, de rector(en) en de promotor(en). Bijsturen kanDe reglementering voorziet ook in de controle en eventuele bijsturing van de geselecteerde onderzoeksprojecten. Elk project wordt van nabij gevolgd door een stuurgroep. Die bestaat uit wetenschappelijke deskundigen, beleidsverantwoordelijken en onderwijspractici en de onderzoekers die op het betrokken project werkzaam zijn. De meeste bijsturingen gebeuren in de stuurgroep in onderling overleg. Jaarlijks leveren de onderzoekers een tussentijds vorderingsverslag af. Als
de stuurgroep niet kan instemmen met het verloop van het onderzoek, kan deze de
minister vragen de promotoren een bijsturingsverzoek te sturen. Als de
promotoren daaraan geen gevolg geven, kan de minister zelfs een eind maken aan
de onderzoeksovereenkomst. Het ontwerpeindrapport wordt in de stuurgroep
besproken en beoordeeld voor het aan de minister wordt overhandigd. Voor meer info:Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming
|