euromunten

Decreet kostenbeheersing basisonderwijs

Het decreet Basisonderwijs bepaalt dat scholen geen inschrijvingsgeld en bijdragen mogen vragen voor de kosten die zij maken om met hun leerlingen de eindtermen te bereiken of de ontwikkelingsdoelen na te streven.

In de praktijk was de grens jaren lang moeilijk te trekken. Bovendien ontbrak het de scholen vaak aan financiële middelen om dit decretaal principe te realiseren.

Nieuw decreet

Het decreet kostenbeheersing van 6 juli 2007 bracht duidelijkheid en voorziet in de nodige financiële middelen. Dat gebeurde in twee stappen.

Stap 1 (sinds 1 september 2007)

  1. Een officiële lijst met materialen die kosteloos ter beschikking moeten zijn voor de kinderen, brengt duidelijkheid. Het gaat om leerboeken, schriften, passers, schrijfgerief, ...

    Uit onderzoek van het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) blijkt dat ouders voorheen gemiddeld 22 euro aan die strikt noodzakelijke dingen besteedden.

    Sinds 1 september 2007 is die kost voor ouders weggevallen, en neemt de school ze voor haar rekening. De scholen krijgen er per leerling jaarlijks 45 euro extra middelen voor. Dat dekt dus ruimschoots de gemiddelde aan ouders doorgerekende kost.
     
  2. Kosten die een school doorrekent aan de ouders voor diensten zoals maaltijden, drankjes en toezicht, moeten altijd in verhouding staan tot de prestaties.

Stap 2 (sinds 1 september 2008)

Scholen organiseren ook heel wat activiteiten die weliswaar niet noodzakelijk zijn voor de eindtermen of ontwikkelingsdoelen, maar die het leren boeiender en aangenamer maken voor kinderen.
 
Om de kostprijs van die activiteiten te beperken, werken scholen nu met een dubbele maximumfactuur.

  1. De scherpe maximumfactuur omvat activiteiten zoals toneelbezoek, sportactiviteiten, schooluitstappen van één dag, … Ook materialen die de kinderen via de school moéten aankopen, vallen daar onder (bijv. verplicht schoolabonnement op tijdschrift).

    Voor de scherpe maximumfactuur worden verschillende basisbedragen gehanteerd, afhankelijk van de leeftijd en het onderwijsniveau van het kind (kleuter- of lager onderwijs).

    Sinds 1 januari 2012 zijn de volgende niet-geïndexeerde basisbedragen van toepassing:

    Leeftijd en niveau Basisbedrag (niet-geïndexeerd)
    2- en 3-jarige kleuters 20 euro
    4-jarige kleuters 30 euro
    5-jarige en leerplichtige kleuters 35 euro
    Lager onderwijs (per leerjaar) 60 euro

    Deze bedragen zijn indexeerbaar met terugwerkende kracht vanaf januari 2008. De vergelijkingsbasis is steeds de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar begint.

    Indexering gebeurt op basis van volgende formule:
     
    Nx= basisbedrag (Cx/107,85)
     
    Waarbij:

    • Nx = het geïndexeerde bedrag voor het schooljaar (x,y).
    • Cx = de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar (x,y) begint.
    • 107,85 is de gezondheidsindex van de maand januari 2008. 
    Nx wordt afgerond naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van vijf.

    De geïndexeerde bedragen vanaf 1 januari 2012 (en dus van toepassing voor het schooljaar 2011 – 2012) zijn de volgende:

  2.  
    Leeftijd en niveau Geïndexeerd bedrag vanaf 1 januari 2012
    (schooljaar 2011-2012)
    2- en 3-jarige kleuters 25 euro
    4-jarige kleuters 35 euro
    5-jarige en leerplichtige kleuters 40 euro
    Lager onderwijs (per leerjaar) 65 euro

    De nieuwe bedragen voor het schooljaar 2012 – 2013 zullen berekend kunnen worden vanaf eind maart 2012, op het moment dat de gezondheidsindex voor maart 2012 gekend is.

    Scholen die de bedragen vanaf 1 januari 2012 willen wijzigen kunnen dit, maar deze scholen moeten wel hun schoolreglement wijzigen en ter goedkeuring voorleggen aan de ouders.

  3. De minder scherpe maximumfactuur omvat de activiteiten buitenshuis: meerdaagse uitstappen voor één of meerdere klassen (deels) tijdens de schooluren. Bijvoorbeeld zeeklassen, plattelandsklassen, …..

    De minder scherpe maximumfactuur bedraagt voor een kleuter 0 euro (meerdaagse uitstappen komen heel weinig voor) en voor een kind uit de lagere school bedraagt het basisbedrag vanaf 1 januari 2012 360 euro voor de volledige duur van het lager onderwijs. Zo kan elk kind normaal gezien mee op uitstap.

    Dit bedrag is indexeerbaar met terugwerkende kracht vanaf januari 2008. De vergelijkingsbasis is steeds de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar waarin het schooljaar begint.

    Indexering gebeurt op basis van volgende formule:
     
    Nx= basisbedrag (Cx/107,85)
     
    Waarbij:

    • Nx = het geïndexeerde bedrag voor het schooljaar (x,y).
    • Cx = de gezondheidsindex van de maand maart van hetzelfde kalenderjaar (x) waarin het schooljaar (x,y) begint.
    • 107,85 is de gezondheidsindex van de maand januari 2008.
    Nx wordt afgerond naar het hogere geheel getal dat een veelvoud is van vijf.
     
    De toepassing van bovenstaande formule geeft het geïndexeerde bedrag vanaf 1 januari 2012 voor de minder scherpe maximumfactuur voor het schooljaar 2011 -2012 en dit bedrag is: 390 euro.

    Het nieuwe bedrag voor het schooljaar 2012 – 2013 zal berekend kunnen worden vanaf eind maart 2012, op het moment dat de gezondheidsindex voor maart 2012 gekend is.

    Scholen die het bedrag vanaf 1 januari 2012 willen wijzigen kunnen dit, maar dat betekent dat deze scholen wel hun schoolreglement moeten wijzigen en ter goedkeuring moeten voorleggen aan de ouders.

    Uit het HIVA-onderzoek blijkt dat ouders in het lager onderwijs voor meerdaagse uitstappen gemiddeld 323 euro uitgaven voor de volle zes jaar. Toch blijkt dat 21 van de 58 onderzochte scholen meer dan 360 euro per kind aanrekenden; in één geval zelfs 1227 euro..
  4.  

    Door de nieuwe financiering krijgen basisscholen sinds september 2008 gemiddeld nog eens 130 euro extra per kind per jaar (naast de 45 euro: zie stap 1). Dat kunnen ze gebruiken om de meerkost van bepaalde activiteiten op zich te nemen.Door de nieuwe financiering krijgen basisscholen sinds september 2008 gemiddeld nog eens 130 euro extra per kind per jaar (naast de 45 euro: zie stap 1). Dat kunnen ze gebruiken om de meerkost van bepaalde activiteiten op zich te nemen.

    Als men rekent dat een kind 9 jaar basisonderwijs volgt, dan betekent het dat de school gemiddeld 1.575 euro per leerling extra kan spenderen, naast de jaarlijkse ouderbijdrage.

    Scholen kunnen dus heel wat méér investeren om kleur te geven aan het onderwijs. Die enorme financiële injectie moet bovendien toelaten de lat gelijk te leggen tussen de netten, en tegelijkertijd een relatief grote inspanning te doen voor scholen die veel kansarme kinderen tellen.

  5. Verplichte gespreide betaling

    Scholen beslissen autonoom op welke manier ze de bedragen opvragen aan de ouders. Dat kan met trimestriële betaling, via een maandelijkse factuur,…

    Scholen kunnen die bijdragen alleszins niet in één keer opvragen. Zij moeten betaling over minstens 3 keer voorzien, gespreid over het schooljaar.

 

 

naar boven